Ontwikkelingen Zorg en Welzijn

Toolkit om kwetsbare mensen te betrekken in de samenleving

De overheid gaat ervan uit dat mensen steeds meer zelf moeten gaan doen. Velen kunnen dit, maar er is echter ook een grote en groter wordende groep mensen die afhaakt. De Nieuwe BV en Learn for Life leggen zich toe op empowerment van de groep kwetsbare mensen via non-formele educatie. Om ook deze groep in staat te stellen om deel te gaan nemen aan activiteiten in wijk, buurt of verenigingsleven is er een toolkit ontwikkeld voor professionals uit verschillende disciplines, die werkzaam zijn in wijken en buurten. Deze toolkit biedt instrumenten om kwetsbare mensen met succes te (re)activeren en ervoor te zorgen dat zij ook kunnen deelnemen aan de ‘participatiesamenleving’. Het ministerie van BZK heeft het financieel mogelijk gemaakt om de toolkit te ontwikkelen.

De toolkit bestaat uit:

  • Competentieprofiel wijk – en buurtprofessionals
  • Handleiding voor het opzetten van (leer)projecten voor kwetsbare burgers
  • Checklist randvoorwaarden voor succes in de omgeving
  • Een procesverslag met do’s and don’ts van lokale en regionale pilots
  • Inspiratiebronnen naar circa 10 – 25 good practices, vergelijkbaar met de lokale projecten
  • Verwijzingen naar en overzicht van inspirerende literatuur, zoals ‘Vertrouwen in burgers’ als achtergrondinformatie om vergelijkbare trajecten te kunnen starten.

Hier vindt u de toolkit: http://www.lflplatform.net/uploads/2/6/5/3/26536967/toolkit_tophits__screen_.pdf (pdf)

Bron: https://nov.nl/actueel/nieuws/toolkit-om-kwetsbare-mensen-te-betrekken-in-de-sam.

Please follow and like us:

De voordelen van de participatiesamenleving

‘De klassieke verzorgingsstaat verandert langzaam maar zeker in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving’. Dit zei koning Willem-Alexander twee jaar geleden in zijn eerste troonrede. Het werden historische woorden: grootscheeps opgepikt door de media, hét woord van het jaar 2013 en inmiddels niet meer weg te denken uit ons collectieve vocabulaire. Aan het eind van 2015 zetten we de voor- en nadelen van de participatiesamenleving op een rijtje en schetsen we een beeld van de toekomst.

 

De term participatiesamenleving kwam in 2013 niet uit de lucht vallen. Al in 1991 sprak PvdA-leider Wim Kok het PvdA-congres toe met de woorden: ‘Wij zitten nu in een overgangsfase: van een verzorgingsstaat naar een werkzame, naar een participatiesamenleving’. Premier Balkenende noemde het in 2005 en in 2013 lanceerde het kabinet Rutte de participatiesamenleving dus opnieuw via de troonrede. Daarmee is de term al bijna 25 jaar oud. Maar bestaat de participatiesamenleving al niet veel langer, zonder het zo te benoemen? Onze voorouders waren toch ook gewend om voor elkaar te zorgen, in gezins- en familieverband, binnen de gemeenschap en op het niveau van de samenleving? Kijk maar naar organisaties als het Rode Kruis, sinds 1864 actief als vereniging van vrijwillige hulpverleners. Of de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij, in 1824 opgericht door verontruste burgers nadat veel mensen waren verdronken in zee. Ook dan al gaat het om burgers die vrijwillig de verantwoordelijkheid nemen om hulp te bieden of levens te redden. De participatiesamenleving is dus echt niet van vandaag of gisteren.

En die participatiesamenleving wordt in 2015 van links tot rechts door de politiek omarmd. Waarom? Omdat het begrip voldoende ruimte biedt om naar eigen politieke kleur in te vullen. De participatiesamenleving zou de vrijheid van burgers bevorderen (rechts), het maatschappelijk middenveld versterken en mensen meer naar elkaar doen omzien (midden) en burgers zouden geprikkeld worden om meer verantwoordelijkheid te nemen voor de noden om hen heen (links). Grote woorden! Maar wat zijn de voordelen van de participatiesamenleving?

Voordeel #1

Als eerste en in tijden van bezuinigingen misschien wel cruciaal: de participatiesamenleving is goedkoper dan de verzorgingsstaat. Al zullen tegenstanders wellicht aanvoeren dat goedkoop uiteindelijk duurkoop zal zijn.

Een paar cijfers: in 2015 bedragen de totale zorgkosten in Nederland 94 miljard euro. Dat is 15 procent van wat burgers en bedrijven in Nederland samen verdienen; het CPB berekende dat dit in 2040 kan stijgen tot 31 procent. Dat is heel veel geld. Geld dat niet uitgegeven kan worden aan beter onderwijs, onderhoud van wegen of het stimuleren van sport en bewegen. Investeren in een participatiesamenleving die onderling en tegen veel lagere kosten voor elkaar zorgt, lijkt dan een goed alternatief.

Lees hier meer.

Please follow and like us:

Participatiedebat 2015, Meedoen maakt gezond – kiezen én delen

Ze waren er: de burgers met bravoure, de leiders met lef en de professionals met pioniersgeest. Op 23 november namen zij deel aan het Participatiedebat 2015 ‘Meedoen maakt gezond – kiezen én delen’. Conclusie: samenwerken en verbindingen leggen tussen verschillende domeinen is essentieel, maar niet voldoende. Gemeenten moeten investeren en zich meer bezinnen op hun leidende rol als opdrachtgever.

Samenwerken met een brede blik

Of het nu gaat om sociaal werkers, maatschappelijk werkers, wijkverpleegkundigen, praktijkondersteuners of huisartsen. Allemaal staan zij in hun werk voor de opgave om vanuit hun eigen vakgebied meer en meer met elkaar samen te werken en met een brede blik te kijken naar alles wat ertoe doet voor hun burgers, cliënten of patiënten. Want in het dagelijks leven is niets opgesplitst in verschillende domeinen, heeft alles met alles te maken. Schulden en armoede bijvoorbeeld veroorzaken stress en schaamte, leiden tot teruggetrokken bestaan en belemmeren het maken van gezonde leefstijlkeuzes. Onderaan de streep leidt dit tot minder kwaliteit van leven en een aanzienlijk kortere levensduur. Bovendien kost het de samenleving veel geld aan ziekteverzuim, uitkeringen en onnodige zorgconsumptie. En – ook niet onbelangrijk – het leidt juist niet tot de doelen die gemeenten proberen te realiseren in het kader van de transitie en transformatie, zoals het versterken van burgerkracht en sociale participatie.

Gezond maakt sociaal – en andersom!

Steeds meer gemeenten zien inmiddels dat de sleutel ligt bij gezondheid. Want gezond maakt sociaal. En andersom maakt sociaal ook gezond. Tegen die achtergrond stimuleren ze de verbinding tussen partijen in het sociale domein en het fysieke gezondheidsdomein. Jan van Zanen, burgemeester van Utrecht en voorzitter van de VNG, komt met een treffend voorbeeld van een huisarts in een achterstandswijk. Onlangs nam die arts contact op met het wijkteam, omdat hij op zijn spreekuur voortdurend achter de feiten aan liep en dus meer preventief wilde gaan werken. 80% van de klachten op zijn spreekuur hadden namelijk te maken met stress, ongezonde voeding en een gebrek aan beweging.

Kortom, de inzet op eigen kracht en eigen regie kan niet zonder een brede focus op gezond leven – en dat in de volle breedte, aldus Van Zanen. Met aandacht voor de fysieke en mentale gezondheid van burgers. Maar ook met oog voor wonen, werk en onderwijs. ‘Zolang we al die verschillende onderdelen niet integraal aanpakken is het als los zand. Maar als we in staat zijn om meerdere domeinen met elkaar te verbinden, dan kunnen we met dat losse zand kastelen bouwen.’ Bekijk het filmpje met enkele statements van Jan van Zanen.

Nieuwe mindset

Ook Aletta Winsemius, verkenner bij Movisie, benadrukt het belang van een sterkere verbinding tussen ‘sociaal en gezond’. Dat vergt een nieuwe mindset, zowel van professionals als van organisaties in de maatschappelijke ondersteuning, hulpverlening en gezondheidszorg. Zij moeten verbindingen zoeken in nieuwe netwerken, ook al schuurt dat soms vanwege de welbegrepen eigenbelangen van ‘concullega’s’. ‘De nieuwe manier waarop de zorg en ondersteuning gestalte krijgt als gevolg van de transformatie heeft de weg geëffend voor meer samenwerking tussen verschillende domeinen. Pas sinds kort komt hierbij ook het gezondheidsdomein in beeld. Dat is niet zo gek, want juist daar liggen kansen om verbindingen te leggen. Bijvoorbeeld tussen het sociale domein en domeinen als preventie en eerstelijns gezondheidszorg. Daarbij moeten we op een andere manier leren kijken, onze blik kantelen. En nu dat volop gaande is, moeten we doorrollen. Meer holistisch en systemisch gaan werken. Met aandacht voor voorzorg en preventie. Met aandacht voor en gezondheid, en inkomen, en woonsituatie, en opleiding, en opvoeding, etc.’ Bekijk het filmpje met enkele statements van Aletta Winsemius.

Vernieuwers vanuit de praktijk

Tijdens het Participatiedebat komen ook een leefstijlconsulent, huisarts, wethouder en ‘zomaar’ een burger aan het woord.

  • Irmgard Winter blikt terug op de manier waarop zij probleemgezinnen ondersteunde bij het thuis ontbijten;
  • Corinne Colette laat een model zien dat zij gebruikt om met haar patiënten en netwerkpartners vanuit verschillende perspectieven op zoek te gaan naar het oplossen van gezondheidsklachten;
  • Fleur Imming geeft een toelichting bij initiatieven van gemeente Amersfoort om ‘sociaal en gezond’ op lokaal niveau met elkaar te verbinden;
  • Willemien Visser vertelt over Wijzelf, de zorgcoöperatie die zij opzette in Zoetermeer. Hun bijdragen in vier quotes:

Leefstijlconsulent Irmgard Winter: ‘Gezondheid staat voor het eerst op de agenda bij de gemeente Den Haag. Dat is een begin. Maar tegelijkertijd zie ik dat er ook nog eilandjes zijn en organisaties die hun ‘eigen ding’ willen blijven doen. Vaak wordt er geroepen om een digitale kaart of map om de onderlinge samenwerking te bevorderen. Maar dat is niet het belangrijkste. Het gaat erom dat je elkaar leert kennen, zodat je elkaar kunt vinden.’ Bekijk het filmpje.

Huisarts Corinne Collette: ‘Ik werk met het vier-domeinen-model (fysiek/mentaal/sociaal/maatschappelijk). Dat gebruik ik niet alleen in de spreekkamer, maar ook in samenwerking met partners in de wijk. Zo kunnen we bij klachten van patiënten waarop we geen greep krijgen, met elkaar kijken wat er aan de hand is. Zeker als er geen sprake is van medische oorzaken. Dat werkt veel beter dan sociale kaarten. Het gaat erom dat je de mensen kent met wie je samenwerkt in een wijk. Het bespreken van casuïstiek helpt daarbij heel goed om een gezamenlijke taal te leren spreken.’

Initiatiefnemer Willemien Visser: ‘De zorgcoöperatie die we tweeënhalf jaar geleden opzette in Zoetermeer, wordt gerund door een vrijwillig bestuur. Mensen kunnen via de coöperatie zelf de persoonlijke verzorging regelen die zij nodig hebben. En dat gebeurt. Mensen vinden via de coöperatie aanbieders – vaak ook inwoners van Zoetermeer, die als ZZP-ers werken, elkaar kennen en onderling afspraken maken. Zo staan de inwoners aan het roer en houden zij zelf de regie.’ Bekijk het filmpje.

Wethouder Fleur Imming: ‘In Amersfoort zijn we bezig met de Gezonde wijk-aanpak. Daarbij proberen we op basis van de gemeenschappelijke ervaringen van diverse partners per wijk te bekijken wat er nodig is. We zien dat die integrale aanpak enorm veel oplevert, niet alleen voor de burgers maar voor alle betrokken organisaties. Doordat wij als lokale overheid nu meer bevoegdheden hebben op dit terrein, kunnen we die samenwerking bevorderen. Maar tegelijkertijd zie ik ook dat we helaas met wetgeving te maken hebben, die niet echt meewerkt.’Bekijk het filmpje.

‘Ophouden met bezuinigen!!’

Tijdens het debat houdt Marijke Vos, voorzitter van MOgroep vanuit de zaal een vurig pleidooi voor extra investeringen in de ondersteuning van burgers. Want alleen met omdenken en verbindingen leggen, lukt het niet om kwetsbare burgers daadwerkelijk in hun kracht te zetten en te laten meedoen. Om dat ‘plaatje’ waar te maken, moeten gemeenten zich veel fundamenteler bezinnen op hun leidende rol als opdrachtgever in dit verhaal. ‘Ik zie dat in veel gemeenten het beschikbare budget leidend is in plaats van de vraag: wat hebben burgers nodig, en hoe kunnen we de dingen goed aanpakken? Ik wil de overheid dus echt oproepen om professionals – ook budgettair – meer ruimte te geven en de regelgeving en bureaucratie aan te pakken!’ Bekijk het filmpje met enkele statements van Marijke Vos.

En nu: aan de slag…

Aan het eind van de middag krijgen twee deelnemers het laatste woord. Movisie-bestuurder Yvonne van Mierlo herkent zich in het pleidooi van Marijke Vos. ‘Als gemeenten wijken en burgerinitiatieven zo belangrijk vinden, dan moeten ze daar vooral in blijven investeren. Verbinding en co-creatie begint met luisteren, met samen kijken wat de vragen zijn en wat er nodig is, en dat dan ook gaan doen! We weten wat er moet gebeuren, er zijn talloze goede voorbeelden. Nu gaat het er dus om dat we die voorbeelden beter verspreiden!’

‘Van los zand kastelen bouwen… Dat is inderdaad de klus waarvoor wij staan’, vult Vincent Schouten van GGZ Oost Brabant aan. ‘Dat vergt van grote organisaties dat ze hun dwingende kaders durven loslaten. Bovendien vereist dit een heel andere manier van werken, zowel van professionals als van andere partijen zoals zorgverzekeraars. Maar dat zal geen kostenbesparing opleveren. Sterker nog, ik ben ervan overtuigd dat de kosten van de transformatie en transitie uiteindelijk hoger zijn, dan de bezuinigingen we hiermee willen realiseren. Maar dat lijkt me niet erg, want we behoren tot de rijkste landen ter wereld – met de gezondste ouderen en de gelukkigste jeugd.’

Bron: Movisie.

Please follow and like us:

Wijzigingen AWBZ en Wmo: een overzicht

Gemeenten zijn sinds 1 januari 2015 verantwoordelijk voor ondersteuning en begeleiding van hun burgers. De extramurale verpleging, een groot deel van de persoonlijke verzorging en de langdurige GGZ is overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet. Het beschermd wonen is ook onder de verantwoordelijkheid van gemeenten komen te vallen, waarbij voor GGZ-cliënten een waarborg ingebouwd is dat zij de komende vijf jaar de ondersteuning houden waar ze nu al gebruik van maken.

Het kabinet wil de komende jaren de omslag maken naar Zorg dichtbij: ‘meer zorg in de buurt, meer samenwerking tussen aanbieders en houdbaar gefinancierde voorzieningen, zodat ook latere generaties er nog gebruik van kunnen maken’. Gemeenten kunnen, aldus het regeerakkoord, meer maatwerk bieden en inspelen op lokale omstandigheden en zorgbehoeften van cliënten. Daarvoor is naast de transities ook een transformatie nodig in het sociale domein.

Persoonlijke verzorging naar zorgverzekeringswet

De extramurale persoonlijke verzorging is ondergebracht bij zorgverzekeraars. Onder persoonlijke verzorging valt hulp bij het aankleden, eten, drinken, wassen, toiletgebruik e.d. en eenvoudige verpleegkundige handelingen. De gedachte hierachter is, dat persoonlijke verzorging voor de meeste mensen samenhangt met de verpleging die zij ontvangen. Niet alle vormen van verzorging zijn ondergebracht bij de zorgverzekeraars. Sommige mensen kunnen zichzelf wel wassen en aankleden, maar hebben aansporing nodig omdat zij een ‘regieprobleem’ hebben. Eerder viel hun begeleiding ook onder de Awbz-functie Persoonlijke Verzorging, maar dit is onderdeel geworden van begeleiding in de Wmo en valt dus nu onder gemeenten. Ook de hulp bij persoonlijke verzorging, inclusief toiletgang, tijdens dagbesteding, behoort nu tot de verantwoordelijkheid van de gemeente.

Transitie AWBZ extramurale begeleiding: de feiten

  1. De extramurale AWBZ is sinds 1 januari 2015 komen te vervallen. Gemeenten zijn nu verantwoordelijk voor ondersteuning en begeleiding. Dit is wettelijk onderbouwd door een uitbreiding van het compensatiebeginsel in de Wmo. Circa 75% van het budget is naar gemeenten overgeheveld.
  2. Extramurale dagbesteding valt sinds 1 januari 2015 onder de verantwoordelijkheid van gemeenten.
  3. De veranderingen met betrekking tot hulp bij het huishouden zjin sinds 2014 van start gegaan. Nieuwe clienten kunnen niet langer rekenen op het bestaande aanbod, omdat de aanspraak op huishoudelijke verzorging in de Wmo is komen te vervallen. Voor bestaande cliënten gaat de maatregel een jaar later in. Via de Wmo wordt een maatwerkvoorziening aangeboden voor mensen die het echt nodig hebben en het niet uit eigen middelen kunnen betalen.
  4. Extramurale verpleging is van de AWBZ naar de Zorgverzekeringswet overgeheveld. De wijkverpleging heeft nu een belangrijke rol: doel is om mensen langer thuis te laten wonen. Deze wijkverpleging wordt dus gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet.
  5. De langdurige GGZ (met behandeling) is van de AWBZ overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet. De zorgverzekeraars worden in 2017 financieel verantwoordelijk voor de GGZ.
  6. De kern-AWBZ, die nog was overgebleven op 1 januari 2015, is nu de Wet Langdurige Zorg. In deze wet wordt de zorg voor de meest kwetsbare ouderen en gehandicapten geregeld. Binnen de Wet Langdurige Zorg is zorg een verzekerd recht voor mensen die permanent (24/7) zorg in de nabijheid nodig hebben.

De nieuwe Wmo

De Nieuwe Wmo is in 2015 van start gegaan. Hierin zijn de nieuwe taken van gemeenten op het terrein van ondersteuning en zorg aan burgers vastgelegd.

Van compensatieplicht naar resultaatverplichting

In de Wmo 2015 is het ‘automatische’ recht op zorg en ondersteuning komen te vervallen. Er wordt niet langer gesproken over ‘compensatieplicht’; de gemeente heeft nu een ‘resultaatverplichting’: niet de compensatie van een gebrek staat centraal, maar het zorgdragen voor een resultaat. Dat betekent bijvoorbeeld dat niet automatisch een maaltijdservice wordt ingeschakeld als het gewenste resultaat is dat iemand dagelijks een warme maaltijd eet. Er is ruimte voor andere, mogelijk beter passende oplossingen. Zo kan een cliënt het prettig en stimulerend vinden om vaker te eten bij familie, om wekelijks aan te schuiven bij een maaltijdgroep en om vrijwillige hulp te krijgen bij het koken thuis. De maaltijdservice blijft beschikbaar voor de mensen, in wiens situatie dat de best passende oplossing is. Als gevolg van de veranderingen hebben gemeenten afgelopen jaren hun uitgangspunten moeten aanscherpen. Ze hebben nieuwe afspraken moeten maken met aanbieders en maatschappelijke organisaties (al dan niet middels aanbesteding) en ze hebben de toegang tot voorzieningen opnieuw en anders georganiseerd.

Nieuwe doelgroepen voor gemeenten

Gemeenten hebben, sinds de wijzigingen van AWBZ naar Wmo, te maken met nieuwe doelgroepen die veelal niet gewend zijn zich tot de gemeente te wenden voor ondersteuning. Daarbij hebben gemeenten een kleiner budget voor de extramurale begeleiding (korting van circa 25%). Veel gemeenten brachten ter voorbereiding op de transitie van de extramurale begeleiding AWBZ al in beeld om welke doelgroepen het zou gaan en welke aanbieders op dit terrein een rol spelen. Daarbij maken zij gebruik van de informatie van CIZ.

Andere actoren

Naast de gemeenten spelen de aanbieders van zorg, welzijn, wonen, arbeid een rol. Aansluitend op de kanteling in de Wmo, spelen cliënten-, vrijwilligers- en burgerorganisaties een steeds belangrijker rol.

Transitie én transformatie

De stelselwijziging in de AWBZ moet, samen met de andere transities in het sociale domein:

  • de fragmentatie van het ondersteuningsaanbod tegengaan
  • de omvang en de kosten van de verzorgingsstaat beperken
  • een bijdrage leveren aan de verdere ontwikkeling van de participatiesamenleving

Dat vraagt naast de stelselverandering om een inhoudelijke vernieuwing. Een ander aanbod van ondersteuning en begeleiding en anders werken van professionals en organisaties. Ander gedrag ook bij burgers en het anders met elkaar omgaan van burgers / vrijwilligers / cliënten, professionals, aanbieders en gemeenten. We spreken over een transformatie in het sociale domein. Lees hier meer over in de publicaties Op weg naar duurzame maatschappelijke ondersteuning en de publicatie Decentralisatie betekent transitie & transformatie. Ook sociale wijkteams vormen een belangrijk middel bij deze transformatie.

 

Bron: www.movisie.nl

Please follow and like us:

Participatiewet en de nieuwe WWB maatregelen: een overzicht

Activering en participatiebevordering in een nieuw wettelijk kader

ARTIKEL – 1 oktober 2015

De langverwachte Participatiewet is in werking getreden. De Wet maatregelen WWB is per 1 januari 2015 op een aantal onderdelen aangepast en is onderdeel van de Participatiewet. We zetten hier de belangrijkste inhoudelijke wijzigingen van de wetten op een rijtje.

De participatiewet

Het doel van de participatiewet is om meer mensen, ook mensen met een arbeidsbeperking, aan de slag te krijgen. De gemeente is verantwoordelijk geworden voor mensen met arbeidsvermogen die ondersteuning nodig hebben. De wet geeft de gemeenten een aantal instrumenten om te zorgen dat mensen met een arbeidsbeperking een plek op de arbeidsmarkt kunnen vinden. De belangrijkste zijn loonkostensubsidie en beschut werk. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt over extra banen.

Gemeenten bepalen op basis van maatwerk wie voor welke vorm van ondersteuning in aanmerking komt.

De gemeente heeft voor de nieuwe doelgroep dezelfde taken als voor mensen met een bijstandsuitkering, namelijk om deze mensen ondersteuning te bieden gericht op arbeidsinschakeling en waar nodig, inkomensondersteuning. Gemeenten bepalen op basis van maatwerk wie voor welke vorm van ondersteuning in aanmerking komt.

Voor wie?

De doelgroep van de Participatiewet bestaat uit:

  • alle mensen die nu onder de Wwb vallen;
  • Wajongers die niet duurzaam 100% arbeidsongeschikt zijn;
  • Wsw doelgroep.

Voor mensen die door hun arbeidsbeperking enkel in een beschutte omgeving kunnen werken, was er in 2014 nog de Wsw. Vanaf 2015 is de Wsw afgesloten voor nieuwe instroom. Wsw-werknemers met een dienstbetrekking houden hun wettelijke rechten en plichten. Gedurende de komende decennia neemt het bestand van Wsw-werknemers door natuurlijk verloop geleidelijk af.

De Wajong is vanaf 1 januari 2015 alleen nog toegankelijk voor jonggehandicapten die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. UWV beoordeelt of iemand recht heeft op Wajong. Mensen die nu een Wajong-uitkering hebben, behouden deze uitkering. Wel zal iedereen met een Wajong-uitkering door UWV opnieuw worden beoordeeld op arbeidsvermogen. Alle huidige Wajongers blijven ook na deze beoordeling bij UWV. Er worden geen huidige Wajongers overgedragen naar gemeenten.

Loonkostensubsidie

Om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken iemand met een arbeidsbeperking in dienst te nemen, krijgt de gemeente de mogelijkheid om loonkostensubsidie te verstrekken. Loonkostensubsidie kan worden ingezet voor mensen die niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Het gaat dus om mensen die per uur niet volledig productief zijn. De loonkostensubsidie wordt verstrekt aan de werkgever en kan, waar nodig, structureel worden ingezet. Loonkostensubsidie kan ook worden ingezet voor werknemers die op een beschutte werkplek werken.

Beschut werk

Tegelijkertijd met het afsluiten van de Wsw is de opbouw van beschut werk begonnen. Wat is beschut werk? Beschut werk is bedoeld voor mensen die door hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding en aanpassingen van de werkplek nodig hebben, dat niet van een reguliere werkgever mag worden verwacht dat hij deze mensen in dienst neemt.

Met de voorziening beschut werk kan de gemeente deze mensen toch in een dienstbetrekking laten werken. Deze groep komt in dienst van de gemeente. De gemeente kan deze dienstbetrekking ook organiseren bij een reguliere werkgever die deze begeleiding en aanpassingen wel (met ondersteuning door een gemeente) kan aanbieden. In totaal gaat het om het creëren van 30.000 beschutte plekken.

Samenloop arbeidsmatige dagbesteding/beschut werk

Momenteel werken naar schatting tussen de 40-60.000 mensen op een plek die geduid wordt met de term ‘arbeidsmatige dagbesteding’. De financiering van deze vorm van dagbesteding viel voorheen onder de functie begeleiding in de AWBZ. Deze is overgebracht naar de gemeente en opgenomen in de Wmo. Deze beide doelgroepen vertonen grote overeenkomsten. In de praktijk blijkt werk in de arbeidsmatige dagbesteding en de beschutte Wsw behoorlijk vergelijkbaar. Ook de profielen van de mensen vertonen grote overeenkomsten. Arrangementen die beide vormen combineren lijken dan ook voor de hand te liggen.

Extra banen

In het sociaal akkoord hebben werkgevers afgesproken dat ze extra banen gaan creëren voor mensen met een arbeidsbeperking. Het gaat uiteindelijk om 100.000 extra banen (oplopend tot 2026) in de marktsector. De overheid zorgt tot 2024 nog eens voor 25.000 extra banen. Deze baanafspraak staat los van de 30.000 beschutte werkplaatsen die in de komende jaren worden gecreëerd en los van de arbeidsplaatsen waarop nu Wajongers al werken. Als werkgevers de afgesproken extra banen onvoldoende realiseren, treedt een wettelijk quotum in werking. Het quotum houdt in dat op termijn elke werkgever met 25 en meer werknemers een formele verplichting krijgt arbeidsplaatsen open te stellen aan mensen met een arbeidsbeperking en moet betalen voor niet vervulde plekken.

Nieuwe maatregelen WWB

In de nieuwe maatregelen WWB worden een heel aantal zaken geregeld: uitbreiding inkomensondersteuningsmaatregelen, arbeids- en re-integratieverplichtingen en ook de tegenprestatie naar vermogen.

Tegenprestatie naar vermogen

Een onderwerp dat in het kader van activering erg relevant is, is de tegenprestatie naar vermogen. De gemeente moet het aan bijstandsgerechtigden opdragen van een significante tegenprestatie regelen bij verordening. Dit biedt de gemeente de ruimte voor het leveren van individueel maatwerk. Het college is verplicht expliciet beleid te ontwikkelen betreffende de inhoud, omvang en duur van de tegenprestatie. In deze verordening kunnen gemeenten vervolgens o.a. opnemen dat vrijwilligerswerk van een bepaalde inhoud en omvang als tegenprestatie is te kwalificeren. Tevens kan de gemeenteraad in de verordening de bepaling opnemen dat, als de belanghebbende mantelzorg verricht, deze geen tegenprestatie wordt opgedragen, zolang hij mantelzorg verricht. De tegenprestatie mag het re-integratiebeleid niet doorkruisen. Het college voert dit beleid vervolgens uit. Verder is ook geregeld dat het college geen tegenprestatie oplegt aan alleenstaande ouders die de volledige zorg hebben voor een of kinderen tot vijf jaar.

Programmaraad

Gemeenten hebben in 2014 hard gewerkt om vanaf dit jaar de nieuwe doelgroep te kunnen ontvangen. Daarvoor hebben gemeenten lokaal beleid ontwikkeld, gemeentelijke verordeningen aangepast en (waar nodig) de organisatie aangepast. Ze deden dit samen met Programmaraad, een samenwerking tussen VNG, UWV, Divosa en Cedris. Ook was de Landelijke Cliëntenraad bij de voorbereiding en implementatie betrokken. Een model plan van aanpak voor de invoering van de Participatiewet en de WWB-maatregelen en tal van handreikingen zijn te vinden op de website samenvoordeklant.nl.

Aan de slag

Wat is een succesvolle, effectieve aanpak om meer mensen kansen te geven op de arbeidsmarkt? Download onderstaande publicatie met 29 goede voorbeelden.

Publicatie: https://www.movisie.nl/sites/default/files/alfresco_files/Werken-aan-economische-participatie%20[MOV-2067400-1.0].pdf.

Bron: https://www.movisie.nl/artikel/participatiewet-nieuwe-wwb-maatregelen-overzicht.

Please follow and like us:

Toekomstagenda Informele zorg en ondersteuning

De Toekomstagenda Informele zorg en ondersteuning is samengesteld in samenwerking met partijen die vanuit verschillend perspectief betrokken zijn bij ondersteuning van mantelzorgers en zorgvrijwilligers. Dit varieert van zorg- en welzijnsorganisaties tot gemeenten en van verzekeraars tot patiënten- en cliëntenorganisaties. De Toekomstagenda bevat aanbevelingen en actiepunten rondom vijf thema’s. Op deze website wordt de actuele stand van zaken samengebracht rond deze speerpunten.

Please follow and like us:

Maatjesprojecten wetenschappelijk onderzocht

Steeds meer vrijwilligers zetten zich als maatje in voor kansarme jongeren, eenzame ouderen, mensen met ggz-problematiek, mensen met een verstandelijke beperking, ex-gedetineerden, mensen met problematische schulden en (jonge) mantelzorgers. Voor steeds meer doelen en doelgroepen worden zogenaamde maatjesprojecten ontwikkeld. Maar werken ze ook? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat maatjesprojecten effectiever worden in het behalen van hun doelen? In de evaluatie Een maatje voor iedereen? is gezocht naar wat bewezen is als het gaat om effectiviteit van maatjesprojecten.

Maatjesprojecten blijken kleine effecten te kunnen bereiken die tezamen toch grote positieve gevolgen kunnen hebben. De belangrijkste effecten blijken te liggen op psychologisch en sociaal-communicatief vlak, zoals het vergroten van zelfverzekerdheid en zelfvertrouwen en het stimuleren van positieve relaties. Daarnaast worden er effecten bereikt op het terrein van persoonlijke ontwikkeling en horizonverbreding.

Schema maatjesprojecten

Het behalen van deze positieve effecten is afhankelijk van diverse factoren. Opnieuw blijkt er vooral onderzoek te zijn gedaan naar de succesfactoren van mentoring projecten. Analyse van de literatuur laat ook hier echter zien dat de resultaten uit dit type onderzoek bruikbaar zijn voor maatjesprojecten in het algemeen. De gevonden succesfactoren zijn bestudeerd, geanalyseerd en vertaald in een leidraad die is opgebouwd uit zeven thema’s. Deze leidraad heeft als doel (toekomstige) maatjesprojecten te helpen en te sturen bij het vormgeven van het project teneinde zo veel en zo positief mogelijke effecten te bereiken. De thema’s in de leidraad zijn: doelmatigheid, werving en screening, matching, ondersteuningsstijl, ondersteuning van de vrijwilliger, integratie in het professionele netwerk en kwaliteitsbewaking.

Benieuwd naar dit onderzoek? Lees hier meer.

 

Please follow and like us:

De zorg verandert en het vrijwilligerswerk verandert mee

Tijdens de themamiddag van UVV Nederland op 24 maart over de kanteling van de AWBZ/Wmo presenteerde Trudy Gorter, voorzitter van de UVV afdeling Leeuwarden, hoe de afdeling bijdraagt aan de transitie. De UVV Leeuwarden is al 70 jaar actief in vooral de intramurale zorg in de instellingen. De gedachte van het bestuur is: “Vooral blijven doen wat we nu doen en waar we goed in zijn. Maar ook proactief zijn en meedenken en meedoen in de huidige transitie-problematiek”. Hieronder een samenvatting van haar presentatie met de ervaringen tot nu toe. Op intranet is het hele verslag van de Themamiddag te lezen.

 

Aandachtig gehoor Rapporteren

Gevolgen van nieuwe wetgeving
Zorg is in 2015 geen automatisme meer, wordt niet zonder meer aangeboden, maar eerst wordt de vraag gesteld, wat men zelf kan en wat de familie, buren en/of vrijwilligers kunnen betekenen. Gelukkig is het wel zo dat wie echt professionele zorg nodig heeft dat nog steeds krijgt. Gemeenten zijn wel gestart met de zgn. keukentafelgesprekken en veel cliënten krijgen minder huishoudelijke hulp of begeleiding. Geluiden die we nu horen is dat hulp die de burger zelf kan regelen – de HH1 – niet meer geïndiceerd wordt. In Leeuwarden moeten alle cliënten per 1 juli 2015 opnieuw geïndiceerd zijn. Zowel voor de WMO als voor de verpleging en Verzorging. Dit gebeurt door de mensen die werken in de sociale wijkteams.

Bestuurlijke verandering
Om in te kunnen spelen op de ontwikkelingen zijn de uitvoerende taken bij het bestuurslid ouderenwerk van de UVV Leeuwarden overgebracht aan twee goed ingevoerde coördinatoren. Het bestuurslid ouderenwerk legt zich nu toe op het ontwikkelen en uitdragen van beleid, netwerken, gesprekken met bestaande en nieuwe partijen betreffende aanvragen van nieuwe projecten.

Ter voorbereiding op de transitie 2015 heeft het bestuurslid ouderenwerk in 2014 al een start gemaakt met het leggen van contacten met verschillende disciplines zoals met de Senior beleidsmedewerker sociaal domein van de gemeente Leeuwarden, teamleiders van de sociale wijkteams, wijkverpleegkundigen en zorgaanbieders.

Het werken in wijkteams
Leeuwarden is opgedeeld in 8 wijkenteams, 7 wijkteams en een dorpenteam. Iedere wijk heeft een eigen Sociaal wijkteam op een locatie in die wijk. Een Sociale wijkteam ondersteunt de inwoners bij alle vragen die ze in hun leven kunnen tegenkomen over werk, jeugd en zorg. Vragen zoals:

  • (Werk): hulp bij solliciteren en re-integratie
  • (Jeugd en gezin): opvoeding van de kinderen leerproblemen, relaties en opvoeden
  • (Financiën): schulden oplossen, toeslagen en kwijtscheldingen aanvragen
  • (Wonen): leefbaarheid, huren, hulp in de huishouding, dagbesteding en lichte persoonlijke zorg

Er zijn verschillende disciplines zoals o.a. maatschappelijk werkers, sociaal en welzijnsmedewerkers. De wijkverpleegkundige voor niet toewijsbare wijkverpleegkundige zorg en voor wel toewijsbare zorg (de zogenaamde S1 en S2 zorg) gaan nauw samenwerken met de Sociale wijkteams.

Nieuwe activiteiten UVV Leeuwarden in wijkcentra
Tijdens het gesprek in september 2014 met een aantal teamleiders van Sociaalwijkteams is het volgende aan de orde gekomen. In wijkcentra zal behoefte zijn aan gastvrouwen en gastheren door de gaten die er gaan vallen in de dagbesteding zowel individueel als bij groepsbegeleiding, Hier vindt de grootste korting plaats bij de overheveling naar de gemeente. Er zullen vormen van opvang ontstaan in wijkcentra en buurthuizen. Hier kunnen en zullen vrijwilligers wij, (UVV-ers) een rol gaan vervullen. Een bekende activiteit, maar in een nieuw jasje. En ook het organiseren van activiteiten voor buurtbewoners (vereenzaming speelt immers een grote rol) in locaties in de wijken. Vrijwilligerswerk waar we sterk in zijn.

Vragen die nog leven

  • Medewerkers zijn (nog) niet gewend om buiten instellingen te werken. Duidelijk is geworden bij de opzet van het project Wandelmaatjes dat dit vraagt om een ander soort vrijwilliger. Dat is een uitdaging, maar het opent ook mogelijkheden voor een jonge groep vrijwilligers.
  • Organisatie van de UVV: er wordt nagedacht of we van projectleiders naar wijkleiders zullen ombuigen. Die wijkleiders kunnen dan aansluiten bij het gebied van de Sociale wijkteams.
  • Onvoorziene effecten zoals toename aanvragen Tafeltje-dek-je: de mensen die in de woon-zorgcentra zelfstandig komen te wonen moeten zelf hun maaltijden verzorgen. Na de opening van het nieuwe MFC werden we verrast door een groot aantal aanvragen voor Tafeltje Dekje. Er moesten 20 nieuwe warmhouders gekocht worden (grote kostenpost!). Er wordt nagedacht over andere mogelijkheden om ook aan het eind van de middag maaltijden rond te gaan brengen.
  • Financiering: Jaarlijks wordt een bijdrage per medewerker geïnd bij de zorginstellingen waar onze vrijwilligers werkzaamheden verrichten. Die jaarlijkse bijdrage is nodig om onkosten te dekken zoals voor medewerkersbijeenkomsten en om af en toe leuke activiteiten te doen met en voor de vrijwilligers. Nu doemen er problemen op, hoe worden de activiteiten bekostigd die niet gerelateerd zijn met het werk in de instellingen? Er is overleg geweest met de wethouder, de programmamanager van coöperatie Amaryllis, (die de WMO gelden beheert), en de beleidsmedewerker sociaal domein. Ze waren onder de indruk van de professionaliteit en van de flexibiliteit van onze vrijwilligersorganisatie, van onze procedure van werving en selectie, van het geven van een basiscursus, het tekenen van de vrijwilligersovereenkomst. Besloten is een overeenkomst te tekenen met Amaryllis voor een jaarlijkse financiële bijdrage per vrijwilliger ter vergoeding van de onkosten. Dit biedt een solide basis om de activiteiten in te vullen en verder uit te breiden.

DSCN4979DSCN4980Werkgroep-3Werkgroep-2

Please follow and like us:

De toegevoegde waarde van de vrijwilliger ten opzichte van de professional.

Lucas Meijs besprak tijdens een bijeenkomst georganiseerd door Tympaan over de grenzen aan vrijwilligerswerk. De transitie van taken van Rijk naar Gemeenten is nu in volle gang, maar de ware uitdaging is de transitie van taken van de gemeente naar buurten/gemeenschappen. Centrale vraag daarbij is welke taken willen/kunnen  burgers wel of niet oppakken? Daarbij moet niet het kostenaspect of schaarste leidend zijn, maar de toegevoegde waarde van de vrijwilliger.

Wat kan je aan een vrijwilliger overlaten? De verwachtingen tussen overheid en burgers lopen op dit punt ver uiteen en voor een deel moeten overheden accepteren dat burgerinitiatief niet te sturen is. Burgers pakken op wat zij interessant vinden en wat voldoening geeft. Per definitie worden dus niet alle taken overgenomen door vrijwilligers (los van de vraag of zij de deskundigheid hebben), omdat niet alle taken en niet alle doelgroepen aantrekkelijk worden gevonden.  De rol van de overheid is om ruimte te bieden aan maatschappelijk initiatief en juist daar in te springen waar vrijwilligers geen initiatieven nemen. Nu proberen wethouders vaak teveel te sturen op de taken die vrijwilligers zouden moeten oppakken.  Organisaties luisteren vriendelijk knikkend toe, maar laten zich niet sturen. De overheid spreekt de burger aan vanuit een normatieve gedachte: “wij vinden dat je vrijwilligerswerk moet doen”. Vrijwilligersorganisaties en vrijwilligers handelen juist op basis van de Civil Society: “mensen moeten de kans krijgen om vrijwilligerswerk te doen”.  De overheid vraagt zich af wat de economische waarde is, voor de vrijwilliger is de individuele waarde van belang.

Deskundigheid en voldoening Stel je wilt toezicht bij een hangplek voor jongeren. Zet je dan de professional overdag in en de buurtvrijwilligers ‘s nachts? Nee zegt Meijs: ‘s nachts als de jongeren gedronken hebben zijn de problemen groter en heb je juist de professional nodig. Laat je het rijden van een buurtbus waar alleen tijdens de spits veel mensen in zitten buiten de spits door een vrijwilliger besturen? Nee want er is geen vrijwilliger te krijgen die met een lege bus wil rondrijden, die voelt zich zinloos. Een professional wordt betaald en krijgt dus compensatie voor de zwaardere of minder aantrekkelijke klussen.

Clientperspectief De discussie over welke taken wel en niet door gemeenschappen/vrijwilligers kunnen worden opgepakt moet volgens Meijs gevoerd worden vanuit verschillende perspectieven. Naast het kosten perspectief en het individuele perspectief van de vrijwilliger is ook het perspectief van de cliënt hier van belang. Wat levert het de cliënt/hulpvrager op dat hier een vrijwilliger en niet de professional ondersteuning beidt? De overweging of je voor een taak vrijwilligers inzet hangt af van deskundigheid, maar ook van de toegevoegde waarde die vrijwilligers nu juist kunnen leveren. Zij bieden een andere toegevoegde waarde dan professionals.

Vrijwilliger versus professional In zijn presentatie geeft Lucas Meijs een mooi overzicht van de toegevoegde waarde van een vrijwilliger vanuit het oogpunt van de cliënt. Professionaliteit van vrijwilligers is lager dan bij een professional, maar de ervaringsdeskundigheid is vaak hoger. Vrijwilligers hebben vaak meer levenservaring of hebben voor hetere vuren gestaan dan professionals (bijvoorbeeld ervaring met zorg voor gehandicapte of zieke kinderen, lastige pubers,  hulpbehoevende ouders). De vrijwilliger werkt vaker op basis van altruïsme, is minden afstandelijk en zijn persoonlijke commitment maakt hem/haar betrouwbaar. Tenslotte is de machtsverhouding veel gelijkwaardiger bij een vrijwilliger.

Een professional is vaak afstandelijker (behoudt professionele distantie), is betrouwbaar op basis van zijn (betaalde) baan en heeft een geheimhoudingsplicht. Met een vrijwilliger loop je het risico dat er over je geroddeld wordt, maar wat je bespreekt komt ten minste niet in je dossier terecht.
Zie voor meer informatie hier de presentatie van Lucas Meijs\.

Please follow and like us: